Boom/Struik van de week: Aesculus

Paardenkastanje

De paardenkastanje  (Aesculus hippocastanum) heeft bij mij een speciale plaats. Ik ben opgegroeid onder de geweldige kroon van een paardenkastanje die bij de buren stond en tot bij ons huis reikte.  Elk voorjaar stond hij te pronken met ontelbare witte kaarsen waarnaar wij als kinderen verrukt keken. Dit is een vreselijk cliché, ik weet het, maar zo was het wel. In de herfst verzamelde we kastanjes, waarmee je niet veel meer mee kon doen dan een pijp maken. Altijd zaten er mussen in de boom, waarover mijn moeder wel eens klaagde, want ze scheten op de was die daaronder te drogen hing.

Toen ik volwassen was en al uit huis, hebben nieuwe buren de boom gekapt. Ik was geschokt toen ik het zag. Een paar maanden later hoorde ik van mijn broer dat tijdens een najaarsstorm bijna alle pannen van het dak van de buren waren gewaaid. De wraak van de kastanje boom!           

In Bavel is ook een monumentale kastanje gekapt, die schuin tegenover de kerk stond. Er zou worden teruggeplant, maar tot op heden niets. Men speelt daar met vuur, zeg ik.

De paardenkastanje komt oorspronkelijk van  de bergbossen van het Balkanschiereiland. Hij heeft een  voorkeur voor wat rijkere, vochthoudende bodems. In ons land is hij op uiteenlopende plaatsen aangeplant en verwilderd.

Vanaf het midden van de zestiende eeuw komt de boom in Nederland voor. De witte paardenkastanje kan 30 meter hoog worden.  Ook in de winter blijft het een majestueuze boom. Met zijn takkenstelsel lijkt hij een meerarmige kandelaar. De boom laat in de herfst grote hoeveelheden stekelige bolsters vallen. Daarom wordt voor aanplant aan de openbare weg vaak de ‘Baumannii’-variëteit gebruikt, die steriele bloemen heeft en dus geen vruchten draagt.

De betekenis van de geslachtsnaam Aesculus is ‘eetbaar’. Waarschijnlijk bracht het feit dat de kastanjes wel door dieren gegeten worden, Linnaeus op het idee om de naam Aesculus te gebruiken voor de paardenkastanje. De soortaanduiding hippocastanum betekent letterlijk paard-kastanje. De zaden werden als voedsel en geneesmiddel voor paarden gebruikt.

Paardenkastanjes leveren zeer goede nectar voor honingbijen, wilde bijen en andere insecten. Alleen de witte paardenkastanje is waardplant van de paardenkastanjemineermot (Cameraria ohridella) die er voor zorgt dat de bladen vroeg bruin worden, verdrogen en afvallen.

Sinds de zomer van 2002 zijn er meldingen van de kastanjebloedingsziekte in de paardenkastanje die veroorzaakt wordt  door Phytophthora –infecties. Die treden op door wateroverlast en gebrekkige -, of afwezige drainage in combinatie met zachte winters. Bomen krijgen bruine vlekken op de stam en ‘bloeden’ donker vocht. 

De paardenkastanje met rode bloemen is een kruising tussen Aesculus pavia en Aesculus hippocastanum. Hij is vermoedelijk in de 19e eeuw  in Duitsland ontstaan en met succes uit zaad geteeld. Zijn wetenschappelijke naam is Aesculus x carnea . De aanduiding carnea betekent vleeskleurig. Deze kan zich ook uitzaaien en doet dat ook in Breda o.a. op de Klokkenberg.

Tekst en Foto’s: Aad van Diemen

Aesculus Hippocastanum